Modelhelicopter A-brevet

(veiligheids- en vliegvaardigheidscerficaat)


Modelvliegclub IKARUS - Tubbergen


Beknopt overzicht van richtlijnen (2009), die worden gehanteerd voor het behalen van het A-brevet, opgesteld door de KNVvL:

1: Zweefvlucht zijwaarts links - rechts

● Het model stijgt vertikaal op van het centrale helipad tot ooghoogte en stopt.
● Verplaatst zich vervolgens zijwaarts naar links met de neus in dezelfde richting tot boven de zijlijn van het vierkant en stopt.
● Vliegt zijwaarts naar rechts tot boven de tegenovergestelde zijlijn van het vierkant en stopt.
● Vliegt zijwaarts naar links tot boven het centrale helipad en stopt.
● Daalt daarna vertikaal en landt in het cetrale helipad.

    Een onvoldoende kan gebaseerd zijn op de onderstaande onvolkomendheden:

    1. Het opstijgen en landen verloopt ruw met verandering van richting.
    2. Opstijgen en landen niet vertikaal.
    3. Model blijft niet op juiste positie gedurende de draai.
    4. Model verandert van hoogte, richting of snelheid tijdens de horizontale vlucht.
    5. Deelnemer slaagt er niet in het model boven de stopppunten stil te hangen.

2: Zweefvlucht diagonaal, vooruit - achteruit

● Het model stijgt vertikaal op van het centrale helipad tot ooghoogte en stopt.
● Verplaatst zich vervolgens diagonaal over het veld met de neus in dezelfde richting; de diagonaal kan naar alle vier de hoeken begonnen worden.
● Het model vliegt tot boven de hoekvlag en stopt.
● Vliegt vervolgens horizontaal in tegengestelde richting tot boven de diagonaal geplaatste hoekvlag en stopt.
● Vliegt vervolgens horizontaal terug tot boven het centrale helipad en stopt, waarna vervolgens vertikaal geland wordt in het centrale helipad.

    Een onvodoende kan gebaseerd zijn op de onderstaande onvolkomendheden:

    1. Het opstijgen en landen verloopt ruw met veranderingen van richting.
    2. Opstijgen en landen niet vertikaal.
    3. Model verandert van hoogte, richting of snelheid tijdens horizontale vlucht.
    4. Model raakt van koers of deelnemer slaagt er niet in het model boven de stoppunten stil te hangen.

3: Figuur M

● De deelnemer staat ongeveer 2 meter achter het buitenste helipad. Het model stijgt vertikaal op tot ooghoogte en stopt.
● Met de neus in dezelfde richting houdend, zweeft het horizontaal in diagonale lijn achterwaarts naar vlag 1 of 4 en stopt.
● Zweeft vervolgens horizontaal op ooghoogte rechtuit tot boven vlag 2 of 3 en stopt.
● Zweeft vervolgens horizontaal op ooghoogte zijwaarts van vlag 2 naar 3 of van 3 naar 2 en stopt boven de vlag.
● Zweeft daarna horizontaal achterwaarts tot boven vlag 4 of 1 en stopt.
● Vervolgens diagonaal voorwaarts tot boven het centrale helipad, stopt en landt vertikaal in het centrale helipad.

    Een onvoldoende kan gebaseerd zijn op de volgende onvolkomendheden:

    1. Het opstijgen en landen verloopt ruw met verandering van richting.
    2. Opstijgen en landen niet vertikaal.
    3. Model verandert van hoogte, richting of snelheid tijdens horizontale vlucht.
    4. Model raakt van koers of deelnemer slagt er niet in het model boven de stoppunten stil te hangen.

4: Geschoven horizontale acht

● De deelnemer moet ongeveer 2 meter achter het buitenste helipad staan. Het model stijgt vertikaal tot ooghoogte en stopt.
● Het model vliegt vervolgens horizontaal op ooghoogte vooruit en beschrijft een cirkel links of rechtsom, waarbij de neus van het model in de vliegrichting blijft waarmee het de figuur is begonnen. De cirkel heeft een diameter van 10 meter en loopt over twee vlaggen aan een kant van het vierkant en eindigt boven het centrale helipad.
● Zonder snelheid te verminderen vliegt het model door en maakt een cirkel in de andere richting, waarbij het model over de twee andere vlaggen vliegt en terugkeert tot boven het centrale helipad en stopt.
● Vervolgens wordt vertikaal geland in het centrale helipad.

    Een onvoldoende kan gebaseerd zijn op de onderstaande onvolkomendheden:

    1. Het opstijgen en landen verloopt ruw met verandering van richting.
    2. Opstijgen en landen niet vertikaal.
    3. Model verandert van hoogte, richting of snelheid tijdens horizontale vlucht.
    4. Model raakt van koers of deelnemer slagt er niet in het model boven de stoppunten stil te hangen.
    5. Cirkels niet rond, gelijk aan elkaar en niet boven de vlaggen gevlogen.

5: Cirkel geschoven

● Op deze wijze van uitvoering kan de deelnemer geen positie innemen binnen de te vliegen cirkel (veiligheid).
● De vlieger heeft de keuze mee te lopen met het model of in ieder geval op veilige afstand positie innemen buiten de cirkel.
● De vlieger plaatst de helicopter in het helipad tussen hoekpunten 2 en 3.
● Het model stijgt vertikaal op tot ooghoogte en stopt.
● Het model vliegt dan zijwaarts naar links of rechts en beschrijft een volledige cirkel met een diameter van 10 meter. Hierbij houdt het model een constante hoogte aan en wijst de staart steeds naar het middelpunt van de cirkel, stopt tenslotte waarna het vertikaal landt in het centrale helipad.

    Een onvoldoende kan gebaseerd zijn op de onderstaande onvolkomendheden:

    1. Het opstijgen en landen verloopt ruw met verandering van richting.
    2. Opstijgen en landen niet vertikaal.
    3. Model verandert van hoogte, richting of snelheid tijdens horizontale vlucht.
    4. Model raakt van koers of deelnemer slagt er niet in het model boven de stoppunten stil te hangen.
    5. Cirkels niet rond en niet aan de zijlijnen van het helipad geraakt.

6: Landing vanaf 10 meter hoogte en 15 meter van landingsdoel

● De deelnemer kiest een zelf gekozen positie in de nabijheid van het vierkant tussen het vierkant en de beoordelaars.
● Het model stijgt op vanuit het centrale helipad naar een door de deelnemer zelf gekozen positie op een hoogte van tenminste 10 meter.
● Vervolgens wordt vanuit die positie een landing onder een hoek van ongeveer 45 graden of een vertikale landing ingezet, waarbij het model wordt geland in het vierkant.
    Een onvoldoende kan gebaseerd zijn op de onderstaande onvolkomendheden:

    1. Het model landt niet binnen het vierkant.
    2. Harde landing
    3. Er schade ontstaat aan het model bij of kort na de landing.
    4. Omvalt bij of kort na de landing.